Swipend vanuit bed kwam ik bij een foto van een turquoise meer omringd door besneeuwde toppen, met op de voorgrond een rechtop zittende latina in donkere bergkleding.
Het leek wel ergens in Canada of zo.
Mijn eerste reactie: jeetje, dat ziet er toch wel echt ongelofelijk uit hè?! Ik zei het nog net niet hardop tegen mezelf.
Daarop vroeg ik aan de Tindermatch in kwestie of het plaatje waarop ze stond in Huaraz was.
Ze antwoordde bevestigend en zei dat het om Laguna Parón ging.
Deze waanzinnige spot hoog in de Peruaanse Andes is omgeven door besneeuwde bergen en zonder twijfel een van de mooiste plekjes in Huaraz. Met Chacraraju en Artesonraju zie je hier zelfs witte bergtoppen die boven de 6.000 meter uittorenen.
We hebben trouwens nooit afgesproken, maar met de tip van Laguna Parón had ze me al blij genoeg gemaakt. Sowieso was ik het beton in Lima wel een beetje zat, en leek Huaraz me een leuke volgende bestemming.
Misschien was haar foto wel het laatste zetje dat ik nodig had?
De volgende ochtend pakte ik de bus die kant op. Op weg naar Laguna Parón.
Hopelijk zou het er in het echt net zo mooi zijn.
Het verhaal begint op een vroege maandagmorgen, waarop een reeks gemiste telefoontjes me al meteen lichte paniek bezorgde…
Over Laguna Parón

Laguna Parón ligt op een duizelingwekkende hoogte van 4.200 meter, afgelegen in de Peruaanse Cordillera Blanca.
Fel turquoise water, bergreuzen zoals Artesonraju (6.025 meter), Pirámide de Garcilaso (5.885 meter) en in sneeuw gehulde pieken van de Nevado Huandoy (waarvan de hoogste liefst 6.395 meter aantikt) maken het tot een regelrechte droomplek.
De bekendste uitvalsbasis om dit gletsjermeer te bereiken is Huaraz, wat zonder stops minimaal 3 uur rijden is. Het dichtstbijzijnde stadje is Caraz, hoewel je daarvandaan ook nog zeker 1,5 uur onderweg bent, grotendeels over onverhard terrein dwars door de bergen
Laguna Parón: mijn ervaringen
Nieuwsgierig naar wat ik van deze dag, en in Laguna Parón in het bijzonder, vond? Lees dan lekker verder.
Nee toch hè?
Half dromend stapte ik onder de douche vandaan en voelde de steenkoude ochtendlucht via de deurkier tegen mijn natte schenen blazen.
Rrrrrrr.
Het was één minuut voor zes en ik telde al drie gemiste oproepen op mijn telefoonscherm.
Nee toch hè, floepte ik er hardop uit.
Het was toch niet de chauffeur van het busje geweest waarmee ik naar Laguna Parón ging, en dat ik nu te laat was?
Ze zouden me tussen zes en half zeven komen oppikken bij mijn guesthouse aan de rand van het dorp. Dan neem ik aan dat je niet om tien voor zes aan de deur staat en er vervolgens vandoor gaat.
Geagiteerd schudde ik een paar keer mijn hoofd heen en weer.
Meteen belde ik terug, maar geen gehoor.
Enkele minuten later verscheen een onbekend Peruaans nummer in beeld, waarop tegelijkertijd twee druppels water vanaf mijn kin neerdaalden. Gauw sleepte ik de opneemknop naar rechts.
“Hello?”
Daarna volgde een Spaanse woordendans waar ik niet heel veel van begreep en die me bovendien ietwat intensief was op dit tijdstip. Wat ik wel verstond is dat ze er in tien tot vijftien minuten zouden zijn.

Nog even snel een kom yoghurt met havermout, noten, cacao en macapoeder naar binnen werken. Koffie daar had ik geen tijd meer voor.
Dacht ik dan.
Vanaf het terras wierp ik een vluchtige blik op de weg maar twintig minuten na het telefoontje was er nog altijd geen bus te bekennen.
De Latijns-Amerikaanse stiptheid is van een andere orde, zo wist ik inmiddels.
Om 6.37 uur: *tring tring tring tring*
Een slaperige mannenstem vroeg of ik buiten bij de deur klaar wilde gaan staan.
Toen ik de trap afliep en de ijzeren deur met afgebladerde verfdeeltjes opende, keek ik eerst links van me de straat in. Niets te zien. Behalve dan een wirwar van stroomkabels, gekleurde huisjes op een heuvel en een reeks besneeuwde bergpieken.
Rechts van me was de enige andere overgebleven mogelijkheid. Ik draaide mijn hoofd… en jawel, er stond een verlengde Mercedes Sprinter-bus. Dat moest ‘m wezen.
Snurkterror
Een klein mannetje met samengeknepen pretoogjes begroette me en gebaarde dat ik de bus kon betreden. Die zat afgeladen vol, ik schat een mannetje of veertien. Een verzameling Peruanen, twee Canadezen die overduidelijk ergens anders hun roots hadden liggen en een Engelse jongen met lang, door shampoo gestript, slap peentjeshaar, deels bedekt onder een visserspetje met vintage-gaatjes. Hij heeft het in een tijdsbestek van dertig minuten zeker vier keer in een knotje gedaan om het het binnen een minuut weer los te gooien.

Achter het stuur zat een dikkere meneer die ons allen naar Laguna Parón zou vervoeren. Een plek die, als ik de plaatjes moest geloven, bizar mooi is. De dieselmotor liep nog en nadat de kleinere man -ik vermoed onze gids- naast hem ging zitten en de deur met een doffe knal dichttrok, trapte hij het gaspedaal in en reden we de nog niet ontwaakte straat uit.
(Ik had, omdat ik dit op internet scannend had gelezen, gerekend op een rit van twee uur. Maar dat werd het in de verste verte niet.)
Links van me bevonden zich twee dertigers uit -zo zou later blijken- Lima. Hij zat voor zich uit te staren, zij zat bij het raam met haar hoofd omhoog en mond half open hangend, duidelijk op een onbekende locatie in dromenland. Ondanks deze niet bepaald sexy houding en haar vormloze trekkingskleding, zag ze er alsnog goed uit: volle Latinalippen, een lichtbruine tint, lange krullende wimpers en glanzend zwart haar tot -voor zover ik het kon zien- halverwege haar rug.
Terwijl de zonnestralen die door de ramen prikten voor een fijne warmte zorgden, passeerden we een landingsbaan. Blijkbaar het plaatselijke vliegveldje, de plek waar ik zeven dagen later het vliegtuig naar Cusco zou pakken. Omsingeld door bergen waarvan een aantal bedekt met sneeuw en ijs. Het maakte me stil in de toch al stille bus.
Achter de twee Peruanen zat een ouder stel. De man was intussen in slaap gevallen en snurkte er vrolijk op los met zijn aardappelneus. Het type drilboor dat in hostels je bloed doet koken en je de neiging geeft duivelse dingen te ondernemen.

Het gepraat van de bijrijder die inderdaad onze gids bleek, leek hem gezien het nog hardere gesnurk alleen maar dieper in slaap te brengen.
Ik blijf het altijd fascinerend vinden hoe makkelijk sommige mensen in de meest oncomfortabele situaties kunnen tukken.
(Er brandden woorden op mijn lippen die mezelf kennende niet al te tactisch zouden klinken, maar ik wist me netjes in te houden.)
El Puma
De gids -hij noemde zichzelf ‘El Puma’- stak een eindeloos verhaal af over Laguna Parón en trad nogal in theoretische details. Zo’n persoon die zijn vak iets te serieus neemt en daarbij de behoefte van de klant uit het oog dreigt te verliezen. Zo’n verhaal waar weinig woorden van blijven hangen. Van één zin hoopte ik vurig dat hij zich versprak (al was dat waarschijnlijk tegen beter weten in): we zouden tegen elven bij de lagune aankomen.
TEGEN ELVEN?
Dat betekende vijf en een half uur overleven eh… rijden. Weliswaar inclusief een lunchpauze, maar toch. Nagenoeg het drievoudige van waar ik op gerekend had.
Ondertussen was de omgeving buiten het ruige gebergte weinig speciaals. Tankstations met als opvallend detail dat de diesel duurder was dan de benzine, grauwe panden van automonteurs inclusief zelfgetekende logo’s van Volkswagen en Toyota en mensen die op een krukje naast een broodkraam zielloos en met gebogen lippen naar hun telefoon zaten te staren.
Twee witte bergtoppen staken als puntige potloden achter alles uit, ze maakten het wat sobere landschap in één klap de moeite waard.
Plotseling klonk keihard “AAH NOOO!” door de bus.
De Peruaanse schone schrok wakker en haar armen vlogen ongecontroleerd omhoog. Ze realiseerde zich direct alle inzittenden mee te hebben laten schrikken. Een beduusd lachje van schaamte volgde, en ze keek een tikje ongemakkelijk om d’r heen.
Vlak na de krijs viel er even een stilte.
Toen barstte iedereen in lachen uit, een soort van ijsbreker waardoor de ongemakkelijke energie verdween.
Caraz
Om iets voor half negen stopten we bij het dorpsplein van Caraz, een berggehucht op zo’n dertig kilometer van Laguna Parón. Dat zou in theorie niet meer zo lang hoeven duren dus.

Tien minuten kregen we om een kijkje te nemen. Die gebruikte ik in de hoop ergens broodjes te scoren, iets wat onze gids El Puma een kwartier eerder bij een kraam langs de weg had gedaan (daar had ik er ook best uit gewild, maar het moment flitste voorbij). Broodjes zijn in Huaraz echt heerlijk namelijk; bolletjes met een dun krokant korstje en een fluffy binnenkant. Hoewel er genoeg bakkerijen waren (ik telde er alleen hier al drie), hadden ze uitsluitend mierzoete gebakjes in de vitrines liggen.
Stukjes cocablad, die ik aan het kauwen was, maakten mijn tanden er niet fraaier op. (Niet dat ik het kon waarnemen trouwens, maar ik had mezelf in die staat al wel eens voor de spiegel bekeken.) En toen ik bij de Engelse jongen (die zijn haar voor de verandering weer losgooide) polste of hij misschien iets wist, was ik meer bezig met er enigszins normaal uit te zien dan dat ik goed naar zijn antwoord kon luisteren. Hij vroeg in het Spaans aan een vierkant gebouwde dorpeling of er een panaderia in de buurt zat, maar die bleek op tien minuten lopen te liggen. En van tijdsbeweringen kan je in Peru gerust het dubbele maken.
Zonder brood en met een groen gebit (waarvan ik het werkelijke aanzicht in mijn hoofd waarschijnlijk erger maakte dan het was) stapte ik terug de bus in.
Zou het nu serieus nog bijna tweeënhalf uur duren?
Een disco op wielen
Kort na Caraz te hebben verlaten belandden we op een onverhard pad vol haarspeldbochten, hobbels, groeven en kuilen. Met twintig kilometer voor de boeg en een minder aantal kilometers per uur wist ik hoe laat het was.
Na flink wat gerammel, gekraak en gepiep draaide El Puma zich om (hij droeg opeens een mondkapje en herinnerde me aan de duistere COVID-tijd) en zei:
“Restaurante” plus nog een waterval aan woorden die ik niet goed thuis kon brengen.
Nadat we de laatste haarspeldbocht naar rechts hadden overwonnen en een lading stof langs de ramen opsteeg, verscheen er inderdaad een eettentje. Hier lastten we een break in om te ontbijten. Ik realiseerde me dat ik die bak yoghurt zo vroeg eerder op de ochtend niet plichtmatig (en in een ziekelijk hoog tempo) had hoeven oplepelen.
Ik hield het bij een droog broodje kip (het leek serieus net verjaarde kurk) en genoot nog wat van het uitzicht op het glooiende landschap. Met mijn ogen op het bergmassief bedacht ik me dat werkelijk niets hier deed vermoeden dat er verderop een betoverend gletsjermeer verscholen lag.
De serene stilte werd plotsklaps verstoord door een oude Toyotabus die een megafoon op het dak had gemonteerd en het hele gebergte liet trillen. Toen het busje naderde en de man achter het stuur me grijnzend gedag zei door zijn hoofd subtiel omhoog te knikken, moest ik er eigenlijk wel om lachen.
Terug bij het restaurant gaf, op de Engelse gozer na die laconiek tegen de bus leunde met een flesje Inca Cola (felgeel spul dat op een toverdrank lijkt en naar kauwgom smaakt – en verraderlijk lekker is) in z’n rechterhand, niemand de indruk de reis te willen voortzetten.
“Zijn deze mensen onderhand niet uitgegeten?” stelde ik mezelf de vraag.
In het hok naast de keuken zaten onze chauffeur en El Puma ook nog lekker van hun gefrituurde forel te smikkelen.
Ik gooide mijn hoofd om de hoek en waagde het erop: “Vamos?”
De laatste hobbels
Ogenblikken later was het zover. De klok sloeg iets voor tien uur en het was tijd om de laatste hobbels te nemen. Letterlijke hobbels welteverstaan.
Dat er hier geen spoor van andere auto’s was, viel goed te begrijpen. Poeh hey wat een zigzaggende beproeving zeg. Inmiddels had ik medelijden gekregen met de bestuurder. Het zou je werk maar zijn. Iedere dag deze uitputtende weg moeten zien te trotseren, ik moest er niet aan denken. Zelfs bij de gedachte aan één keer per week zakte mijn energielevel al beneden nul.
Voor de vierde keer vandaag richtte El Puma zich tot ons (op datzelfde moment bad ik voor een zo kort mogelijke preek en dat leek te helpen): nog vijf minuten en dan zouden we er zijn.
De stijfheid in mijn onderrug van de ellenlange busrit van Lima naar Huaraz kwam weer opspelen, en met een ferme zwaai naar links (die een aantal van de inzittenden zichtbaar de schrik op het lijf joeg) knakte ik die eruit.
Om kwart na elf reden we stapvoets langs een geparkeerde Mercedesbus van hetzelfde type als de onze, waarna we stopten en de chauffeur afremde. Ten slotte sloeg de motor af.
EINDELIJK, het moment was daar: we konden uitstappen en ons opmaken voor Laguna Parón.
Weergaloos
Niet wetende wat ik moest verwachten (zou de lagune hier al te zien zijn of moesten we nog een eindje lopen?) hoor ik meerdere mensen euforisch “waaaaauw” roepen.
Nieuwsgierig en een tikje opgewonden sprong ik uit de bus en onmiddellijk begreep ik dat het geen loze of aangedikte kreten waren.
Voor me strekte zich een turquoise meer uit, omzoomd door donkere bergen en op de achtergrond een krachtpatser van een piek, compleet onder ijs bedolven. De zon weerkaatste op bepaalde delen van het meer en gaf er een gouden gloed aan. Het bootje met een stel kajakkers erin maakte het op een of andere manier extra onwerkelijk, alsof AI dit decor had geschilderd.

Alhoewel ik qua expressie niet zo snel op enthousiasme te betrappen val (en daar ben ik in het verleden door menig meisje aan herinnerd), voelde ik hoe mijn mond zich oncontroleerbaar opende.
Laguna Parón was oprecht zo schilderachtig als op de plaatjes die ik vooraf had zien langskomen (en waarvan ik mijn twijfels had of ze niet overdreven bewerkt waren).
De gigantische ijspiek bleek de majestueuze Nevado Artesonraju te zijn, de berg die het wereldberoemde Paramount Pictures inspireerde voor hun logo. Een leuk feitje uit de mond van El Puma.
Verwondering denderde als een vloedgolf door me heen en wiste elke gedachte die ik had resoluut uit, als met een abrupte druk op de knop. In het nu zijn is tegenwoordig nogal trendy om te roepen, ik ervaarde het nu toch echt.

Toen ik weer een beetje op aarde geland was, dacht ik niet lang na en wisselde ik mijn trektocht-legging in voor een korte broek. Ook trok ik mijn trui uit, eronder had ik een tanktop als enige bedekking.
(Een misschien niet al te slimme zet zou later duidelijk worden.)
Ik maakte me op voor de tocht naar het viewpoint -El Mirrador- van Laguna Parón.
“But isn’t this a viewpoint in itself?” zei ik breedlachend tegen de enige twee overgeblevenen, de rest was al aan de wandeling begonnen.
El Mirrador
Op een houten bord viel te lezen: Laguna Parón 4.200 meter.
Ondanks het iets zwaardere ademen en de ijle lucht merkte ik er niet veel van eerlijk gezegd. Nu zat ik ook al urenlang cocabladeren te kauwen, schijnt goed te helpen zeggen ze.
Het pad voerde me over losse steentjes en stukken die slechts losliggend zand behelsden. De laatste meters tot het uitkijkpunt op 4.450 meter boven zeeniveau werden gedomineerd door joekels van rotsblokken en diepe spleten, en daarachter een grillige ijspiek. Niet voor niets noemde El Puma dit een kerkhof voor telefoons.
Het verwachte uur klimmen werd in werkelijkheid minder dan een half uur. In het dal aan de linkerkant doemde het turquoise water op en voor me die bevroren berg die ik beneden al zag.
Zo’n driehonderd meter hoger dan de parkeerplaats kreeg de sfeer iets magisch. Zeker zodra de zon doorbrak, het water begon te schitteren en het contrast met de witte bergkam en de donkere bergruggen alleen maar groter werd.
Uitstulpingen van gesteente daagden de betrokkenen uit voor de mooiste plaatjes. En hoewel ik niet zo van de foto’s met mezelf erop ben, liet ik me nu voor de verandering eens wel een keer vastleggen.

Bij het staren naar de kloof zorgde een kajak, die zich door de hoogte amper leek te bewegen, voor een sfeer die ik als surrealistisch zou willen omschrijven. Het is de combinatie van natuurlijke ruigheid en de afgelegen locatie waar je niet zo snel meer menselijke elementen verwacht, hoezeer je ook weet dat het een toeristische trekpleister is.
Op locaties als deze kom je steevast figuren tegen die de meest gevaarlijke plekjes opzoeken. Zo ook een Franse gozer die langs een gladde afdaling op een rots vlak boven de afgrond de nodige acrobatische poses aannam, terwijl zijn maat het met een GoPro filmde (en hij als een pro technische aanwijzingen afvuurde richting die maat).
“It’s not as dangerous as it looks” liet hij hijgend doorschemeren toen hij langs me terug omhoog klauterde.
Da’s natuurlijk maar net wat je definitie van gevaarlijk is en hoe het zit met je hoogtevrees…
Mij niet gezien in ieder geval!
Het gekakel van de groep naast me was zo lawaaierig, alsof ze een pilsje in een bruine kroeg zaten te doen en elkaar na een lange tijd voor het eerst weer zagen. Een voor mij raadselachtige combinatie van Frans en Arabisch.
Ik koos eieren voor mijn geld en klom steen voor steen verder de hoogte in. Waakzaam op mijn telefoon, die tussen de elastische band van mijn boxershort en mijn bezwete heup geklemd zat, en bij enige speling in een van de spleten zou verdwijnen.
Hoger op de berg viel er weinig menselijks meer te horen. Ik zette mezelf op een rotsblok en liet langzaam mijn ogen dichtvallen om de stilte te omarmen. Kort erna opende ik mijn droge oogleden, en was het een geel-grijze vogel die vlak voor me landde en me verwachtingsvol aankeek (zo interpreteerde ik het dan).
Geen idee hebbend hoe het met de tijd zat, greep ik mijn telefoon erbij om mezelf terug in de menselijke dimensies te brengen. 12.13 uur las ik op het door vingervet bevlekte scherm. Ik had dus nog een klein uur, El Puma had tien over een als tijdstip genoemd waarop we zouden vertrekken.
Stap voor stap zakte ik af naar het punt met de meeste trekkers.
Een meid met een Portugees accent (dat herken ik maar al te goed na vijf maanden in Portugal te hebben rondgereisd) stak haar hoofd om de hoek van een steen: “How did they get there?” terwijl ze met haar trillende rechterwijsvinger naar de fotoplek wees die volgens mezelf tot de gevarenzone behoorde.
Ik zei het niet maar dacht het wel: och meisje, daar ga je je toch niet aan wagen?
Ze vroeg het voor haar vriend, die uit het niets naast haar opdook en -weet ik veel waarom- bleek wegtrok. Hij was van de randjes opzoeken, zo gaf ze te kennen.
Zoals wel vaker tussen reizigers gebeurt kletsten we wat, inclusief de gebruikelijke “Waar kom je vandaan?”-vragen. De twee bleken Braziliaans (hoewel hij er volstrekt niet zo uitzag) en voor ik het wist hadden we het over sambavoetbal, Neymar (de wereldster op retour), Ronaldo (de Braziliaanse) en Memphis Depay (spits van Oranje die daar speelt).
Zij liet blijken groot fan van Depay te zijn, tot adoratie aan toe. Niet alleen vanwege zijn voetbalkwaliteiten, maar eigenlijk met name aangezien hij zich hard inzet voor de armeren in de samenleving. Dingen die we in Nederland niet horen, daar gaat het voornamelijk over welke gekke hoed hij opheeft of hoe hij zich al rapper op een gangsterig toontje profileert. Meestal negatief, omdat hij anders is dan anderen.
Verfrissend om te horen uit de mond van een Braziliaanse!

Na dit toch wel verrassende gesprek bovenop de winderige berg werd het plots een slag kouder. Om onderkoeling te voorkomen, gritste ik zo vlug als mogelijk de donkerblauwe sportrui in mijn rugzak. Mijn blote benen redden het wel, was mijn snelle conclusie (ik had bovendien geen trek om mijn schoenen hier op ruig terrein uit te moeten doen).
Na een laatste maal naar het water en het omringende grillige landschap gekeken te hebben, vond ik het mooi geweest en begon ik aan de terugweg.
Terug naar beneden
Ondertussen trok ik de rekbare mouwen van mijn trui over mijn vingers, die ik langzaam kouder voelde worden. Tot dusver nog draaglijk, maar ik wist hoe snel zoiets kon gaan. Voor je het weet worden ze een soort knalharde gemberwortels en verga je van de pijn.
Tussen de imposante bergruggen door spotte ik in de verte onze bus langs de weg.
Maar toen ineens:
*Krrrsshh*
Net voorbij de helft gleed ik uit over een venijnig stuk bedekt met een dun laagje zand.
Zal je altijd zien: zodra je denkt de lastigste delen gehad te hebben gebeuren de dingen die je niet meer verwacht.
Hoe ik het deed, deed ik het, maar ik wist mezelf op miraculeuze staande te houden. De verwondering was overigens nog groter bij de Peruaanse dame voor me, die voor me klapte alsof ze bij een circusvoorstelling iets bijzonders had meegemaakt.
Eenmaal beneden moest ik nodig pissen, zou er hier ergens een wc zijn of moest ik me in de (weinige) bosjes verstoppen?
Het eerste was het geval, ik liep een donker hok met een niet-doorgetrokken wc binnen. Gelukkig dreef er alleen donkergele urine in.
Bij onze bus stond een clubje van vier Nederlanders. Ernaast een rokende auto, een roestige Toyota Corolla station uit de jaren negentig, die je in deze regio voortdurend tegenkomt (ze staan als krachtig bekend). Hun taxi had het begeven, ondanks de bemoedigende woorden van de chauffeur vooraf dat dit oude beestje hem nooit eerder in de steek had gelaten.
Alhoewel ze het volgens mij niet hadden uitgesproken, spraken hun smekende puppy-ogen boekdelen: ze hoopten met ons mee te mogen. El Puma hielp ze uit de brand. Er was echter een plek te weinig, daarom ging een van hen op de grond zitten.
Backstreet Boys
We vertrokken om tien voor half twee met de muziek op standje hard. Muziek met hoge stemmetjes, die me deed denken aan een combinatie van Indiase tempelmuziek en traditionele liederen uit Java met dansende vrouwen in prachtige jurken. De Peruaanse meid (die eerder prompt wakker schrok) vertelde me dat het om streekmuziek uit de bergen ging. En hoewel het vrolijk klonk, was het een en al drama: vrouwen die smeekten om de liefde.
Opnieuw stopten we bij het restaurant waar we ’s ochtends geweest waren. Ditmaal om te lunchen. Wat mij -en de meeste anderen- betreft waren we lekker doorgesjeesd, maar het zijn nou eenmaal de akkoordjes tussen touroperators en restaurants die je op de koop toe moet nemen.

Nadat we de meanderende weg door de bergen achter ons hadden gelaten en bewoonde wereld in zicht kwam, offerde El Puma zijn stoel op, zodat iedereen een zitplaats had.
De chauffeur had het usb-stickje met lokale zangers verruild voor Westerse muziekhelden. Doorgaans gaat het dan om plaatjes van al lang gestopte boybands, iconische rocksterren en types als Madonna – veelal aangevuld met enkele nietszeggende liedjes.
En jawel… met I Want It That Way van de Backstreet Boys was het meteen raak. Het Canadese meisje zong ongeremd mee vanaf de achterbank en El Puma gooide dierlijk zijn heupen en schouders los, met z’n rug naar ons toe.
Was het misschien de behoefte om te swingen die hem z’n plekje deed afstaan?
Het busje pruttelde door en opnieuw stopten we ergens, overduidelijk een plek waarmee een dealtje gesloten was. Ik bedoel, wie heeft er in hemelsnaam zin om met zo’n bedroevend energieniveau (de rit had op iedereen een wissel getrokken) een souvenirwinkel binnen te stappen? Helemaal drama was het daarentegen ook weer niet, want er was huisgemaakt roomijs, dat bij tenminste drie van ons zorgde voor twinkelende kinderoogjes.
Uiteindelijk ben ik nog half weggedommeld en begon het te schemeren. Even voor half zeven reden we dan eindelijk Huaraz binnen. Bij een busstation van een maatschappij die ik niet onthouden heb, bevrijdde ik mezelf uit de rijdende kooi en sprong als enige de bus uit.
Buiten drukte El Puma op een geheimzinnige manier een glinsterend muntje van 5 soles in mijn handpalm, de entree voor Laguna Parón die ik om een onduidelijke reden terugkreeg.
Ik voelde de ogen van de medewandelaars door de deuropening vragend op me gericht staan en krabde wat aan mijn jukbeen.
“It’s for you,” was mijn spontane reactie, waarop ik hem een tikje om zijn schouder gaf en de donkere straat in verdween.
Waar heb ik de tour geboekt?
Gezien de lange afstand en het feit dat er geen openbaar vervoer naar Laguna Parón rijdt, raad ik je aan om een tour te boeken. Ik ben op pad geweest met Destinos y Rumbos en de excursie boek je hier.
Houd er rekening mee dat je inclusief stops 5 uur heen en 5 uur terug in de minivan zit. Echt een behoorlijk lange zit. Maar goed, de beloning is groot.
Eventueel kun je nog kajakken in het meer. De kosten hiervoor bedragen 20 soles per persoon.
Als alternatief kun je ook een auto met chauffeur inschakelen, zoals het Nederlandse groepje had gedaan. En dan hopen dat het niet zoals bij hen afloopt. 🙂
Wat neem je mee?

Goed om te weten is dat eten en drinken plus de entree niet verzorgd zijn bij de tours vanuit Huaraz. Je stopt evenals wij bij een eettentje om te ontbijten en te lunchen.
Neem daarvoor voldoende cash mee. Maaltijden kosten er meer dan in de stad, reken op 30 soles voor rijst met kip.
De 5 soles entree tot het lagunegebied betaal je onderweg in de bus, zodra de gids erom vraagt.
Zelf heb ik een halve liter water, pinda’s en twee bananen meegenomen. En cocabladeren in verband met de hoogte (4.500 meter).
Qua kleding voldoen een shirt met lange mouwen en een hardlooplegging of trekkingsbroek. De hike omhoog heb ik op hardloopschoenen gedaan, wat prima ging. Op die ene uitglijder na dan. 😉
Wat is de beste reistijd voor Laguna Parón?

Het droge seizoen in Huaraz en omstreken loopt van mei tot en met september. Da’s dan ook de beste periode om naar Laguna Parón te gaan. Je hebt in die maanden de beste kans op heldere blauwe lucht en vergezichten op de besneeuwde toppen van de Cordillera Blanca
De uitzichten in de natte tijd -november tot en met maart- zijn daarentegen vaak minder denderend. Daarbij regent het in die periode vaker, en nattigheid is allesbehalve wat je wilt op deze toch al koude plek.
April zou je als overgangsmaand kunnen zien en is doorgaans ook helemaal prima.
Zelf bezocht ik de lagune in mei, en zoals je op de foto’s hebt kunnen zien was het uitstekend weer.


















