“Is it really at 4.30 that I have to be ready tomorrow?”
Het was die vraag die ik ’s avonds met denkbeeldige puppy-ogen naar de touroperator appte, hopend op een later tijdstip om naar de El Tatio Geisers te gaan. Half vijf betekende om vier uur opstaan, in het holst van de nacht.
Niet onmogelijk, maar fijn is anders.
En het wierp z’n vruchten af, want ik zou de volgende ochtend tussen vijf en half zes worden opgepikt. Het was de vroegste tour tijdens mijn week in San Pedro de Atacama. Na wat wikken en wegen (elke minuut telt zo vroeg) besloot ik de wekker om stipt vijf over half vijf te zetten.
Met een vrij diepe zucht, want het was alsnog heel vroeg. Door het getetter buiten op het terras betwiste ik bovendien of ik spoedig zou slapen.
Aan de andere kant zie je zulke landschappen natuurlijk niet vaak, en is het een van de absolute hoogtepunten van de Atacamawoestijn. Dat offer wilde ik dus wel doen.
Zou het net zoiets zijn als de geisers die ik eerder in Waiotapu in Nieuw-Zeeland had gezien?
Indrukwekkend werd het in elk geval. En steenkoud. Ik wist dat ik op vriestemperaturen kon rekenen, maar zó bar en daardoor zelfs een tikje akelig?
Je bent vast nieuwsgierig hoe het daar bij de geisers is en hoe de landschappen eruitzien? Nietwaar?
Da’s mooi, want dit artikel neem ik je mee naar de El Tatio Geisers en geef ik je een aantal handige tips voor deze fascinerende plek in het geïsoleerde noorden van Chili.
Over de El Tatio Geisers

Op pakweg 80 kilometer ten noorden van San Pedro de Atacama liggen de El Tatio Geisers, in het Spaans Geyser del Tatio of kortweg El Tatio genoemd. Op 4.320 meter hoogte omringd door het Andesgebergte vind je hier meer dan 80 geisers, waarmee ze het op twee na grootste geiserveld ter wereld vormen. Enkel het Yellowstone National Park in de Verenigde Staten en Kamtsjatka in Rusland weten El Tatio qua aantallen te verslaan.
Naast geisers zie je in het gebied tevens warmwaterbronnen, kokende modderpoelen en fumarolen. Onze gids vertelde dat het water met 200°C loeiheet is.

Om antwoord te geven op de vraag waarom de tours zo ziekelijk vroeg (lees: 4.30 uur ’s ochtends of zelfs vroeger) vertrekken: dit is omdat de geisers het spectaculairst zijn tijdens de zonsopkomst, doorgaans tussen zes en zeven uur. Door het contrast tussen de ijskoude lucht en de hete stoom plus de zonnestralen die over de bergen heen vallen, ontstaan dan de mooiste plaatjes. De gevoelstemperaturen schommelen rond die tijd ergens tussen de -10°C en -20°C dus wees gewaarschuwd.

Wegens de duizelingwekkende hoogte is hoogteziekte een risico. Ikzelf had er totaal geen last van, maar dat heeft misschien ook met mijn lange (en hoge) reis door Peru van ervoor te maken. Koop een zakje cocabladeren in het dorp om de misselijkheid voor te zijn of vraag aan je gids of ‘ie wat blaadjes bij zich heeft.
De El Tatio Geisers: mijn ervaringen
Hoe ik de El Tatio Geisers ervaren heb lees je in het gedeelte hieronder.
En mocht je denken dat de foto hierboven science fiction is… nope.
Een mistverstand
Het was een onverbiddelijke herinnering dat de nacht afgelopen was, toen mijn wekker me om 4.35 wakker deed schieten en ik vrijwel meteen wist dat ik haast moest maken.
Nadat ik mijn linkerbeen onder het drielaagse deken vandaan haalde, voelde ik een ijzige tocht door de deurkieren naar binnen blazen. Ik kreeg er onaangename rillingen van.
(Het zou een voorbode zijn voor wat ik vandaag qua temperaturen kon verwachten.)
Douchen zag ik zo vroeg niet zitten en bewaarde ik voor later deze middag. Ik zou immers toch al weer rond twaalven terug zijn, als ik de planning moest geloven.
De afgelopen twee dagen kwamen ze telkens op mijn deur kloppen zodra er iemand van de touroperator was om me op te pikken. Nu was het wel heel erg vroeg, dus ik wist niet hoe het ditmaal ging lopen. Zin om bij de receptie te gaan zitten wachten had ik niet, ik klapte m’n laptop open om vanaf bed nog even snel wat kleine dingetjes te doen.
Inmiddels was het haast half zes en maakte de gedachte dat ik langer had kunnen tukken me een tikje zurig.
*Tik tik tik*
Daar was dan de jongen van de receptie. Of ik wilde komen, de touroperator stond bij de poort op me te wachten.
Gonzalo was de naam van de gids, en hij kon nauwelijks geloven dat ik geen jas aan had. Ik droeg drie lagen, waarvan twee met lange mouwen. Plus een lange thermolegging. Moest prima zijn, dacht ik.
Bedenkelijk kijkend leidde hij me de Mercedesbus in. Die zat afgeladen vol met Brazilianen. Twee daarvan -een moeder en haar dochter- herkende ik uit mijn hotel, terwijl zij net niet bij de receptie stonden.
Hoe kon dit?
Bleek dus dat de tour agency er om stipt vijf uur al was, en mij om een of andere reden niet had weten op te trommelen.
Op de vraag van mijn hotelgenoten (die overigens met een vleugje ironie gesteld werd) waarom ik te laat wakker was, antwoordde ik dan ook met opgetrokken wenkbrauwen. Ik stond namelijk netjes om iets na half vijf naast m’n bed.
Pikkedonker was het nog, en we vertrokken richting de geisers. Een flinke rit van 1,5 uur.

Door de ramen zag ik dat hemel bezaaid was met glinsterende sterren, de ene nog feller dan de andere.
Stoomkolommen
Achter me zat een jongen die wegens zijn Marcelo-krullen wel uit Brazilië moest komen (die linksback van Real Madrid, weet je wel?). Twee dagen eerder zag ik hem ook al bij de warmwaterbronnen van Puritama. Toen in een spierwitte badjas, nu in ski-outfit. Ik raakte met hem -Amarilio- en z’n vriendin -Julia- aan de praat. Zij viel op door haar neusring.
Amarilio bleek in een punkband te spelen en Julia deed eveneens iets in de creatieve hoek.
Grappig genoeg hadden ze cocabladeren in hun rugzak zitten, iets dat we gezien de hoogte van meer dan 4.000 meter en het slaapgebrek best konden gebruiken. Julia griste ze eruit. Een bescheiden portie als je dat vergeleek met de zakken die je op de Peruaanse markten meekrijgt.
Nadat ze er een paar in hun mond hadden gestopt, gaf ze me het kreukelende zakje bladeren en zei met een twinkeling in d’r ogen dat ik ze allemaal mocht hebben. Ik stopte een stapeltje tussen mijn wang en tandvlees, de manier waarop de inheemse stammen me het in de Amazonegebieden in Colombia en Peru geleerd hadden.
Ik vervolgens een tikje opgewonden: “Muy rico!” doelend op de intense smaak na het vrijkomen van de eerste bladsappen. Julia en Amarilio moesten er duidelijk nog aan wennen, het was hun eerste keer dat ze de bladeren kauwden.
Intussen was de weg aardig hobbelig geworden en werden we zo nu en dan even goed door elkaar geschud.
Het schemeren begon, de zon kon ieder moment opkomen. Gele wegbordjes die waarschuwden voor overstekende lama’s en paarden vielen me op.
In de verte verschenen de eerste stoomkolommen, ze gaven het gortdroge en bruine landschap een mystiek karakter. Alsof er een onzichtbare kunstenaar in de luwte bezig was iets meesterlijks te creëren.
Bij de ingang stonden nog een boel andere minivans geparkeerd, we konden er eventjes uit om te strekken en eventueel de blaas te legen.

Gonzalo zwaaide de deur open en liet ons eruit. Maar niet voordat hij een extra krukje op de grond had gezet om het uitstappen makkelijker te maken. Voor mij overbodig, voor de overwegend kleinere mensjes in de bus absoluut niet.
Hijzelf moest naar een aftands kantoortje om de tickets te laten checken.
Kort daarna terug in de bus draaide hij zich om vanaf de passagiersstoel: “It was so cold that her pencil wasn’t even working,” doelend op de dame bij het loket aan wie hij de tickets overhandigde.
Een rillende collectieve lach trok door de bus en we legden het laatste stukje af om te midden van het stomende spektakel uit te stappen.
Surrealistisch, dat was het decor zeker. In een desolate omgeving spoten tientallen geisers stoom en water de lucht in, ertussenin borrelden modderpoelen en stegen zwavelachtige gassen op uit spleten. Ervoor ontelbare bolletjes vergeeld gras. Op hetzelfde moment gloeide de lucht door de oranje gloed van de opkomende zon.

Maar god, wat was het hier snijdend koud. Mijn handen en voeten vroren er zowat af, van Gonzalo vernam ik zojuist dat het kwik de -16°C aantikte. Ik schrok ervan. Had ik maar handschoenen meegenomen. Die droeg ik wel trouwens, alleen dit waren sporthandschoenen met ontblote vingertoppen.
Om onze situatie in perspectief te plaatsen voegde Gonzalo er droogjes aan toe dat het hier in de winter zomaar naar een pooltemperatuur van -30°C kon dalen.
Brrrr.
Vuur
We stopten bij een ommuurd stuk, vlak voor een sissende geiser. Hoewel er van het echte spuitende geweld zoals bij geisers in Nieuw-Zeeland en IJsland geen sprake was, waren de dampen die uit de broze aardkorst opstegen wel iets bijzonders om mee te maken. Zoveel bij elkaar ook. Een beetje alsof je ergens op een andere planeet bivakkeert.

De stinkende rotte eierlucht die zwavel niet zelden veroorzaakt en waar ik wel op had gerekend, rook ik eigenlijk nergens.
Mijn vingers begonnen ondertussen venijnige klopjes te geven van de pijn, en ik kon het klappertanden niet langer onderdrukken. Met mijn handen in de zakken van m’n trainingsjack ging ik als een stijve hark over het terrein.
Gonzalo rende naar me toe en vroeg:
“Do you want my gloves?”
Zo in het ochtendlicht zagen zijn ogen eruit als die van een katachtige: klein, flonkerend en fel, en een voor deze contreien ongewone groen-grijze kleur.
Ik knikte dankbaar, maar een seconde erna aarzelde ik en stelde hem de vraag of hij ze zelf niet nodig had. Ik bedoel, het was serieus koud.
Hij gaf aan dat het oké was, en stopte me de dunne warmhouders toe. Het duurde echter nog een hele poos voor ik ze aan kreeg, omdat mijn eigen handschoenen (zonder vingertoppen) moeilijk deden en die van Gonzalo nogal slim-fit waren.
Ook mijn voeten raakten onderkoeld. De rest van m’n lichaam hield het goed uit, ondanks dat ik geen dikke jas aan had. Sowieso zijn het bij mij doorgaans de handen en voeten die bij kou beginnen te zeuren.
Langzaam verscheen de zon van achter de bergen. Het stoombad rechts van me weerkaatste het goud, terwijl de waterdamp ervoor een gelige sprankeling kreeg. Net of de boel in vuur en vlam stond, heel onwerkelijk om mee te maken.
Dit gevoel werd versterkt toen ik in de rookpluimen het silhouet van een onbekend persoon zag. De trappetjes voor deze gedaante hadden iets weg van onder water gelopen rijstterrassen ergens op Bali.
Picknicken tussen de geisers
Via een pruttelend modderbad liep ik achter de voltallige groep aan die al bij de bus stond te wachten. Er was kennelijk nog een ander gedeelte, waar we na een korte rit over een gravelweg arriveerden.
Hier waren voor m’n gevoel nog meer poelen en wat meer spuitgeweld te zien. Daarnaast had de zon het qua temperatuur allemaal ietsje dragelijker gemaakt en was het doorlopende gebibber bij mij nu wel verdwenen.

Schijnbaar mocht je vroeger in de Pozón Térmico, een van deze bronnen, jezelf opwarmen. De geisers en het hele gebied eromheen worden beheerd door een inheemse gemeenschap, zij hebben het vanwege veiligheid en natuurbehoud verboden.

Gonzalo vertelde ons dat de stomende poel onverwachts sterk van temperatuur kon wisselen en er in het verleden bovendien dodelijke ongelukken waren gebeurd. Bijvoorbeeld door mensen die een stap te veel naar achter zetten voor de foto en zo in kokend water belandden.
Pfff… hoe gruwelijk wil je het hebben?
Rond een uur of negen meldden we ons bij de bus, die in niemandsland geparkeerd stond voor het ontbijt. Gonzalo en de chauffeur zetten een uitklaptafel ervoor inclusief een heleboel stoeltjes. De mijne kraakte en was overduidelijk al goed ingezeten.
“That’s the real coffee!” riep ik enthousiast zodra mijn oog op de French press viel, en ik direct terugdacht aan de lekkere koffie van twee dagen ervoor bij de Puritama Hot Springs.

Ik greep gauw een mok en vulde die tot de nok toe vol. Na de eerste heerlijke nipjes, zette ik hem op de opstap van onze bus, omdat er op de tafel geen plaats voor was.
Flensjes, zojuist gemaakte guacamole, kaas, salami, stokbrood, allerhande vers fruit, zoete smeersels… er lag werkelijk van alles en het had de uitstraling van een luxe kampeerontbijt.
Puur intuïtief koos ik voor het stokbrood, besmeerd met een flinke laag guacamole en twee plakjes kaas. Ik nam de eerste hap en…
*Krrrr-tshh*
Bizar knapperig van buiten en zo zacht van binnen. Dit was serieus het beste brood dat ik tot dusver in Zuid-Amerika had gegeten, wat een genot zeg. Gretig zette ik opnieuw mijn tanden in het krokante korstje.

Amarilio en Julia, die naast me zaten, waren eveneens tamelijk euforisch. En dat door een baguette. Een baguette die van een Franse bakkerij uit het dorp kwam. Hoe kon het ook anders.
Voor ik het tweede stukje brood pakte propte ik vlug een handjevol sappige blauwe bessen in mijn mond. Zout met zoet afwisselen is toch waar smaakpapillen het blijst van worden. De mijne dan toch.
Een eindje voor ons baadde de woestijn in zonlicht en bleven de slierten stoom uit de aardkorst opstijgen. En links van me dook opeens een spitse vos op, met ernaast een bebaarde man die er selfies mee probeerde te maken en zich volgens mij niet van het potentiële gevaar bewust was. Tot het dier gejaagd omhoog sprong en de man van angst achteruit deinsde met een verontrustende blik in zijn ogen.

*SSSSSSSH KLAK!*
Een enorme dreun van de schuifdeur klonk, ik werd er abrupt door uit de dreigende situatie met de vos getrokken.
Oh shit, mijn koffiemok was ik helemaal vergeten, realiseerde ik me plots.
En omdat de deur van de bus dichtzat, moest hij nu vast ergens op tafel staan. Gonzalo vroeg met grote ogen of het de grijze was, maar ik wist het niet zo zeker. Ach, wat boeide het ook, die enge ziektes van anders zouden heus wel meevallen.
In een reflex draaide ik mijn hoofd naar links om te checken hoe het er voorstond bij de man en de vos. Ze waren beiden van het toneel verdwenen, maar het zal wel goed gekomen zijn. Anders hadden we immers wel wat bange kreten of ergere dingen gehoord.
Ik wilde mijn kopje bijvullen, er zat echter geen druppel koffie meer in de thermosfles.
“We can prepare a new one,” riep Gonzalo resoluut toen hij me met de stalen kan zag klungelen.

Mijn blijheid veranderde vliegensvlug in ongeloof, van binnen schreeuwde ik: neeee… geen liter water op de reeds vergane koffiepulp gooien alsjeblieft. Maar het was al te laat. Ik wist inmiddels dat Chilenen weinig geven om echt goede koffie, alleen ja… Naja goed, dan maar een slappe bak. Hij was in ieder geval warm.
Na het verrukkelijke ochtendmaal vertrokken we richting San Pedro de Atacama. We zouden nog diverse stops inlassen, waaronder bij het schilderachtige kerkje van Machuca.
Iglesia de Machuca
Okerkleurig zand stoof op toen onze bus afremde, waarna Gonzalo zich prompt tot mij richtte:
“Do you want to eat lama?”
Nah, ik zat propvol van het ontbijt en de hang naar lamavlees was er niet zo bij mij. Ik had op weg naar Machu Picchu bovendien al alpaca gegeten en was daar niet zodanig van onder de indruk (het was net een taaie leren lap) dat ik wederom zoiets wilde proberen.
De wc liet ik evengoed aan me voorbijgaan, gezien de meterslange rij die achter het gebouw stond. Die drang was er overigens wel, want door het vroege opstaan had ik mijn behoefte nog niet kunnen doen. Alleen met zoveel mensen is ontspannen niet bepaald een vanzelfsprekendheid, m’n lichaam heeft dan de neiging om de benodigde functies te blokkeren.
Ik, Julia en Amarilio slenterden door het piepkleine traditionele dorpje met adobehuisjes. Behalve een handjevol toeristen waren er geen locals te bekennen. Eindigen deden we bij Iglesia de Machuca, een schattig witgekalkt kerkje, het op één na oudste uit de Atacama-regio.

Heel boeiend vond ik deze stop desondanks niet, ik denk dat het meer een soort verplichte kost is om het dorp de voordelen te laten plukken van de toeristen die er lamaspiesjes of wat te drinken kopen.
Een kwartier later reden we weg, San Pedro de Atacama naderde.
Mirador Putana
Langs de weg stonden vicuña’s te grazen. En soms ook groepjes lama’s nieuwsgierig naar ons te staren. Het moment waarop we gas bijgaven, vlogen ze bliksemsnel de andere kant op.

Gonzalo liet doorschemeren dat vicuña’s in het wild leven, terwijl lama’s steevast door lokale herders worden gehouden. Dit was te zien aan de gekleurde wollen bandjes die ze droegen.
Eenmaal bij het Putana-uitkijkpunt zocht ik het in mijn ogen mooiste plekje op. En zo stond ik voor een oase waarin met gras begroeide stenen verspreid lagen, en daarachter een gelig en drassig grasland, grijze plus bruine heuvels en besneeuwde bergen.

Hoewel behoorlijk kaal, toch echt wel verbluffend mooi. Landschappen zoals je ze alleen hier ziet, dacht ik in een flits.
Mirador de Machuca
Mirador de Machuca was de laatste plek die we bezochten.
De gelijknamige lagune die hier ligt staat bekend om de flamingo’s die er leven. Nu was het alleen zo dat wij er niet op het juiste moment waren, omdat de flamingo’s in de koude wintermaanden grotendeels vertrokken zijn naar warmere zoutmeren in de regio. Een heel eind verderop spotten we er wel een aantal, zij het te ver om er een fatsoenlijke foto van te maken. Voor mijn telefoon tenminste.

Samen met de Braziliaanse moeder en haar dochter stond ik buiten naar het meer te koekeloeren. Ik merkte dat de dochter met een glurende blik naar me keek. Dat het moeder en dochter waren wist ik overigens pas vanaf dit moment, want door hun voor mij niet heel erg afwijkend lijkende leeftijden zouden de twee eerder vriendinnen zijn. Het meisje was tot mijn verbazing pas zeventien en stotterde telkens een beetje zodra ze Engels tegen me sprak. Wel aandoenlijk eigenlijk, en ik deed de beste pogingen om haar niet ongemakkelijk te doen hoeven voelen. Bijvoorbeeld door haar af en toe bij te vallen in het Engels.
Een andere Braziliaanse moeder die met haar dochter bij de wegkant stond, had opgespoten lippen en wangen. Ze beweerde dat botox een belangrijke reden is waarom Brazilianen relatief jong ogen. Of haar gezicht daar het bewijs voor was laat ik even in het midden.
Terug naar San Pedro de Atacama
Na de korte stop die eerder in het teken van leeftijd dan flamingo’s stond, ronkte de motor en scheurden we terug naar San Pedro de Atacama. Mijn lippen waren bedekt met kurkdroge velletjes en gaven me het gevoel ieder moment te kunnen knappen. Volgens mij een gevolg van de hoogte.

Ik kletste nog wat met Julia en Amarilio die achter me zaten. Hij trok na een tijdje wit weg en viel zowat in slaap, zij bulkte klaarblijkelijk van de energie. Ze deelden een verhaal over een reis naar Europa, waarin ze na het landen in Duitsland als heuse drugssmokkelaars werden behandeld. Hoogstwaarschijnlijk door hun markante voorkomens, een soort onpeilbare creaties. De stoelbekleding van hun taxi werd maniakaal opengesneden om te checken of ze het spul daaronder verstopt hadden. Uiteraard vonden ze niks, maar een kleine sorry of zoiets kon er niet vanaf.
Net na het middaguur werden we één voor ´n bij onze accommodaties afgezet, Julia en Amarilio verlieten de bus als eerste bij een hostel eventjes buiten het dorp. Zo’n moment waarop je weet dat de kans klein is dat je elkaar ooit nog zult zien.
Vanavond stond er nog een tour voor me op het programma: stargazen. Aangezien ik al vanaf half vijf op pad was, in een lichte energiecrisis verkeerde en morgen alweer op tijd onder de wol vandaan moest, twijfelde ik vurig of ik wel zou gaan.
Het besef dat San Pedro de Atacama beroemd is om zijn hemelgewelf deed de FOMO niettemin groeien. Bovendien was de kans dat ik hier ooit nog eens zou komen niet zo groot.
Ach, tijd zat om de knoop voor straks door te hakken.
M’n ogen voelden zwaar en protesteerden van vermoeidheid.
Ik knalde de douche aan en genoot van de warme stralen en de citroengeur van de zeep. Daarna plofte ik op bed, en pakte m’n telefoon erbij om te kijken naar de beelden van deze ochtend. Tijd om te relaxen, tussen vier muren, zonder prikkels.
Waar heb ik de tour geboekt en wat kost het?
Ik heb de tour geregeld bij Araya, simpelweg omdat ze qua beoordelingen tot de betere touroperators van San Pedro de Atacama behoren. Op basis van deze en de andere tours die ik met ze gedaan heb kan ik niets anders dan positief zijn. Het ontbijt tijdens de trip was ook echt van hotelkwaliteit, serieus. Je bent op zulke dagen natuurlijk afhankelijk van de groep, maar dit zat eigenlijk telkens helemaal goed.
Araya richt zich qua groeptours trouwens wel voornamelijk op Brazilianen, zodoende is de voertaal Portugees. Niettemin spraken de gidsen bij mij ook gewoon uitstekend Engels. Daarbij zijn ze aan het uitbreiden naar de Engelstalige markt. Privétours kunnen geboekt worden in de taal die je wilt, bijvoorbeeld Engels of Spaans.
De excursie naar de geisers kost bij hen 70.000 CLP. Da’s inderdaad meer dan bij de goedkopere aanbieders, maar daar krijg je wel genoeg voor terug. Als gezegd het bovengemiddeld goede ontbijt en bijvoorbeeld ook een relatief kleine groep.
Je kunt via 📞 Whatsapp contact met ze opnemen op +56 954 708 710 om je tour te boeken.
Kun je ook zonder tour gaan?
Ja, mits je eigen vervoer hebt. Mocht je via El Loa Airport in Calama reizen, dan kun je hier je auto huren en bij aankomst direct wegrijden naar San Pedro de Atacama.
Weet wel dat je op zo’n 4.000 meter hoogte rijdt en hoogteziekte daarom op de loer ligt. Eerst even een dagje wennen in San Pedro op 2.400 meter boven zeeniveau is sowieso aan te raden.
Een 4×4 is overigens niet nodig, maar wel handig. De weg is namelijk voor een groot deel onverhard en vol kuilen en bulten.
Om toegang te krijgen tot het gebied met de geisers betaal je 15.000 CLP, je kunt met je pinpas betalen.
Wat neem je mee?
Ik raad aan om handschoenen mee te brengen en verder vooral warme kleding aan te trekken. Doe ook lekkere dikke wollen sokken aan, want die dunnetjes die ik aanhad deden compleet niets tegen de kou.
Oh en ook handig: vet voor je lippen. Die van mij deden naderhand behoorlijk pijn van de droogte, iets van vaseline of Blistex was wel zo fijn geweest.
Wat is de beste reistijd voor de El Tatio Geisers?
De El Tatio Geisers kun je iedere maand van het jaar bezoeken. Wel is het zo dat er in de wintermaanden -juni tot en met augustus- de meest spectaculaire effecten te zien zijn. De lucht is dan op z’n koudst, waardoor het contrast met de hitte van de stoom groter wordt.
Vervolgens is het goed om te weten dat tussen 06.00 en 07.00 uur, vlak na de zonsopgang, de geisers het meest actief zijn. Da’s dan ook de reden waarom de tours tussen 04.00 en 05.00 uit San Pedro de Atacama vertrekken.
Kom je in de winter? Hou dan rekening met gevoelstemperaturen van -15°C of lager. Zodra de zon opkomt, wordt het gelukkig snel draaglijker.
Waar in San Pedro de Atacama raad ik je aan om te overnachten?

Ik wil je alvast meegeven dat San Pedro de Atacama een dure bestemming is. Dit merk je in alles. Bij sommige hostels ben je gerust 25 euro of meer per nacht kwijt voor een bed in een dorm.
Dan weet je dat, hieronder vind je een boel leuke slaapplekken om te verblijven in het woestijndorp.
Hostels vind je er in elk geval genoeg. Drie aanraders zijn Hostal Mamatierra, Hostal Copart en Hostal Belen. Qua budget en kwaliteit is Misky Wasi je beste optie. Zoek je een relatief goedkope eenpersoonskamer? Die boek je bij La Tribu del Indio.
Als je een huurauto hebt en van rust houdt, is de MAKTVB Lodge een aanrader. Dit guesthouse is waar Julia en Amarilio verbleven en ze waren er heel tevreden over. Met name ook over de avonden, omdat de sterrenhemel hier dan een klein wonder genoemd mag worden.
Ikzelf heb een nachtje geslapen bij Casa Lickana, een kleinschalige B&B met ruime kamers en een lekker ontbijtje. Fijn vond ik hier de rust en huiselijkheid. Enne, voor de liefhebbers is er ook een jacuzzi.
Daarnaast sliep ik 5 nachten in het heerlijke hotel Don Raúl (drie sterren). De kamers zijn aan de kleine kant, maar wel netjes en comfy. Je hebt er verder een sfeervolle binnentuin met zitjes, een grote boom en zelfs een piano om aan te spelen. En het inbegrepen ontbijtbuffet is smikkelen geblazen. Yoghurt met noten en zaden, vers brood, sapjes, fruit, cakes en jawel… chocolade slagroomsoesjes. Voor de echte luxepaardjes is Explora en Atacama (vijf sterren) een uitstekende keuze.
Overnachting op een exclusieve glamping in de wildernis doe je bij UNAI Atacama. Hier kun je ’s avonds vanuit je hottub de fonkelende sterrenhemel bewonderen, onder het genot van een Chileense rode wijn. Het kan slechter.


















