Gammel als de neten zet ik mijn eerste stappen op Peruaanse bodem. Of Peruviaanse, zoals je wilt. Ik heb er zojuist een helse reis opzitten, helemaal van Leticia in Colombia naar Iquitos in Peru. Slingerend over de Amazone, 17,5 uur lang. Als een sardientje bekneld in een blikje.
Laat me je meenemen naar de boottocht die ik maakte…
Om er met een oud Nederlandse gezegde geen onduidelijkheid over te laten bestaan: eens maar nooit weer.
Het begon allemaal in Leticia, een klein plaatsje aan de Amazone in Colombia.
Eerder hoorde ik dat je daarvandaan met de boot richting Peru kon. Op zich geen slecht idee, zo dacht ik. Ik was toch al aan het eind van mijn reis door Colombia en Peru leek me een leuke vervolgstap.
De twee opties die ik vond:
- De fastboot: de snelste mogelijkheid en 12 tot 22 uur reizen (als ik de verhalen moest geloven). Kosten: 120 soles, exclusief maaltijden.
- De slowboot: de langzame variant en zo’n 3 dagen varen. Kosten: 80 soles, inclusief maaltijden.
De meeste backpackers kiezen voor de slowboot, al vond ik 3 dagen nogal veel van het goede. Je hebt daarbij weliswaar het voordeel niet opgevouwen in een stoel te hoeven zitten en een hangmat als bed te hebben, maar toch…
Ik maakte werk van de fastboot en scoorde bij een travel agency in Leticia een kaartje (websites kun je vergeten, alles gaat hier nog op de ouderwetse manier). De dag voor vertrek moest ik een exitstempel halen op het kleine vliegveld van Leticia, dit was zo gepiept.
De volgende ochtend vertrok ik met een tas vol overlevingsvoedsel (tien gekookte eieren, een blikje tonijn en een stel (zoete) broodjes) richting de haven. Daar kocht ik nog een kilo bananen en een zakje mambe (poeder van cocabladeren) bij een inheems zaakje.
De frisheidsstatus? Krap een uur onderweg en al zeiknat van het zweet.
Vervolgens zocht ik naar een man die me naar Santa Rosa kon overbrengen, het Peruaanse eilandje waarvandaan de boten naar Iquitos vertrekken. En het eilandje om je inreisstempel voor Peru te fixen.
Op de kade vroeg ik aan twee gewapende politiemannen of ze meer wisten. Ze knikten en wezen me autoritair de weg.
Ik daalde een geïmproviseerd trappetje af en kwam in een overkapt gedeelte terecht. Het een hut noemen zou te veel eer zijn. Daar leidde een oudere meneer me naar z’n in dunne witte verf gehulde vissersboot. Hij kon me voor 10.000 pesos wegbrengen. Precies wat me op voorhand voorgespiegeld was. Eveneens precies het laatste beetje cash dat ik had bewaard.
De pingelaar in me kon het niet laten: “Kan het ook voor 5.000?”
Nul op rekest, inclusief drie afkeurende blikken.
Hoe dan ook: tot zover liep alles redelijk op rolletjes.
De bootman wierp een reddingsvest naar me toe, de stof zoefde ervan af. Verplichte kost in deze contreien, of je nou kunt zwemmen of niet. Hij trok een zurig gezicht en slingerde de Suzuki-motor met een onbekend aantal paardenkrachten aan. Zonder moeite staken we de Amazone over, van het ene naar het andere land.
Nog geen tien minuten later liep ik in Peru, op weg naar het immigratiekantoor. Normaal zijn dit stoffige en übersaaie plekken waar je van het gapen verdrinkt. En met medewerkers die zich als robots gedragen.
Hier op Santa Rosa niet.
Ik was de enige toerist en de ambtenaar was een jonge vrouw die ik verdacht van subtiele flirterigheid. Ietsje te lang kijken en mijn naam meermaals speels herhalen. Binnen een minuut stond ik alweer buiten, nadat de lacherige dame zonder moeilijke vragen de stempel in mijn paspoort had gestampt. Mijn zelf in elkaar geflanste uitreisticket hoefde er niet aan te pas te komen.
Toen was het negen uur en moest ik nog drie uur killen voordat de echte reis ging beginnen. Even iets eten dan maar. Een rib uit m’n backpacklijf: omgerekend tien piek voor droge kipfilet, gefrituurde banaan en een karig hoopje witte rijst. Ondanks door de ober vooraf beloofde megaportie.
Terug bij het dock waar ik eerder die ochtend met de boot werd afgezet, zag ik de boot voor de tocht naar Iquitos liggen: een stokoud ding genaamd Zoe Alexia. In grote zwarte letters viel er verder ‘CAP. 107 PAX’ te lezen.
De klok wees iets na half elf aan, vanaf elf uur zouden we aan boord mogen. Ik zette mezelf op een stoeltje en zag vanuit mijn linkerooghoek een man aan de drank zitten. Twee gerimpelde lege blikjes voor zich, een volle in zijn rechterhand. Wat ik vreesde gebeurde: hij begon tegen me te raaskallen en bleef maar doorgaan (waarom heb ik dit altijd?). Elk voor ieder normaal mens overduidelijke signaal dat ik er even geen zin in had, zorgde voor het tegenovergestelde effect.
Ik verloste mezelf van de dronken kletskous door voor de vorm even poolshoogte te nemen bij de boot. Daar stuitte ik op een loket, en aangezien ik iets over de wifi wilde weten kon ik meteen even mijn vraag stellen.
De door de travel agency beloofde gratis wifi (er is verrassend goed internet aan boord!) bleek, zoals verwacht, een wassen neus. Nu zat ik met een probleem. Niet dat ik niet wilde betalen, maar ik had simpelweg geen Peruaanse soles in mijn Thaise kobaltblauwe portemonnee met olifantmotief. En in Colombiaanse peso kon je hier niet meer afrekenen.
Hm… Hoe ging ik dit oplossen? Mijn steenkolen Spaans ging het me sowieso niet gemakkelijker maken.
Na wat gepraat te hebben met de gedrongen kaartjesverkoper (en toen hij doorkreeg dat ik geen andere oplossing had en me door de reisagent gratis internet beloofd was), kladde hij een vinkje met daarachter de woorden pagar internet op mijn ticket. Spaans voor dat ik reeds voor internet betaald had.
Wederom een meevallertje dus.
Deze ochtend voelde al als een hele reis moet ik zeggen, al lag de daadwerkelijke reis nog voor me.
Ik klom op het dek en besloot ergens achterin mijn plekje te bemachtigen. Ik verkoos relatieve rust boven de koelte van de airco. En met relatieve rust doel ik op de mensen, want het motorgeluid (of wat het ook was), ramde pijnlijk door mijn trommelvliezen. Maar ach, ik zag het maar als een soort white noise: een continue ruis die je vanzelf wel in slaap sust. Ventilatoren kunnen het ook zo goed.
Kort daarna liepen twee inspecteurs haastig de boot in. Bloedserieus en verstijfd, bijna op zo’n manier waarop je zou denken dat een lachje ze de kop zou kosten.
Kwamen ze nou voor mij?
Ze bogen zich voorover en wezen allebei resoluut naar mijn tas, alsof ik wat misdaan had.
Een tikkeltje verbouwereerd keek ik ze aan.
Het trosje bananen was de boosdoener. Die mocht ik niet van het ene naar het andere land vervoeren. Hoewel ik vermoed wegens fruitvliegjes, is nooit duidelijk geworden waarom.
De kleinste van de twee vroeg: “Waar heb je die bananen gekocht?”
Ik: “In de haven van Leticica.”
“Sukkel, had nou hier op Santa Rosa gezegd, dan was het waarschijnlijk prima geweest,” foeterde mijn innerlijke stemmetje onmiddellijk.
Diezelfde inspecteur griste een formulier uit zijn aktetas en zorgde opeens voor een wel heel serieus sfeertje. De sfeer van een politieverhoor. Lichtzinnig dachten ze er allerminst over, hij en z’n kompaan wilde alles van me weten.
Ik verklaarde de bananen voor deze reis te hebben ingeslagen en verder niet zoveel eten bij me te hebben. Toen leek er gek genoeg iets van compassie te ontstaan. Ze scheurden vier bananen van de tros af die als ‘bewijs’ diende en overhandigde me het ingevulde formulier. Alles was in orde en ik hoefde me geen zorgen te maken, verzekerde de grootste van de twee me met een twijfelachtig lachje op zijn bleke gezicht.
Eindelijk kon ik nu een beetje relaxen in de stoel.
De ontspanning werd niettemin bruut verstoord door de motor die aansloeg. Ik dacht dat die al de hele tijd ronkte, maar dat was blijkbaar een ander ding wat een vreselijke herrie produceerde. Misschien de airco (die het hierzo achterin overigens compleet liet afweten, de cabine werd langzaamaan een magnetron en het geplak aan de namaak leren stoel begon nu al).
Om een positief iets te noemen: zowel naast als voor me zaten geen mensen.
*Vroem vroem vroem vroeeeeeem*
De boot kwam om iets over twaalf in beweging, de reis was begonnen (evenals het ergste lawaai).
In het achterste deel zat verder nog een handjevol mensen. De meest noemenswaardige was een stel dat elkaar voortdurend zat af te lebberen en bij mij en de man erachter voor het nodige ongemak zorgde. Net of ze erop geilden wanneer we het zagen (wat wellicht ook zo was).

Gaandeweg de reis stopten we op verschillende plekken om mensen in en uit te laten stappen. De boot raakte voller en voller. Het hitsige koppel was ondertussen vertrokken. Bij een van de laatste stops gebeurde datgene wat je tijdens zo’n reis precies niet wilt: de stoelen voor en naast me werden ingenomen. Ruimte om je spullen neer te leggen was er niet, daarom had ik alles maar op m’n schoot gezet.
Tot overmaat van ramp klapte de obese man voor me ook nog eens zijn doorgezeten stoel met uipuilende ijzeren buizen naar achteren, normaal zitten werd me nu onmogelijk gemaakt. Ik zat als een opgevouwen idioot met mijn knieën tegen zijn klamme leuning geklemd, en voelde de pijn in mijn spieren al opkomen. Kon ik voor even maar in een elastiekje veranderen.
Wetende dat ik nog een uur of vijftien te gaan had, wist ik dat het zogenaamde comfort van eventjes ervoor niet vlug meer terug zou komen.
Ik zuchtte diep en de irritatie groeide. Ergens hoopte ik op een kleine sorry, terwijl ik me evengoed besefte dat dit 1) niet ging gebeuren en 2) eigenlijk nergens op sloeg.
En dan had ik het nog relatief goed. Het was duidelijk als wat dat er meer tickets verkocht waren dan beschikbare zitplaatsen: er lagen mensen in het ranzig ogende gangpad en er werden goedkope plastic tuinstoelen neergezet voor degenen die tenminste nog wilde zitten. Een uurtje of twintig in zo’n knalhard ding, moet je nagaan.
De dronken spraakwaterval lag voor pampus op een stapel van die stoelen, met een strak gelaat en een hangende open mond, alsof hij net overleden was (en met bemodderde benen; wat had hij in hemelsnaam uitgevreten?).
Uiteraard begon de man naast me filmpjes te kijken met het volume op standje maximaal. Het omgevingsbewustzijn van een gefrituurde visstick. Ik kneedde mijn oordoppen, propte ze in mijn oren en sloot me zo goed als mogelijk af voor al het geluid om me heen.
De wifi verzachtte nog het een en ander, maar toen ik er wel klaar mee was vroeg ik me af hoe ik dit in godsnaam tot het einde ging uitzingen (of beter: uitzitten). Ik voelde me als opgesloten in een koffer en de tijd trok als een slak voorbij.
Slapen ging op en af. Zoals in een vliegtuig.
Mijn norse buurman (die mij waarschijnlijk -en geheel begrijpelijk- ook als zodanig zag) zat telkens opnieuw hersenslopende video’s te bekijken. Met die typische geëditte lach die overdreven vaak klonk en me intussen mateloos irriteerde. Ook om drie uur ’s nachts zat hij voor het blauw verlichte scherm. Soms klaarkwakker, soms in slaap gedoezeld. In al die uren was hij bovendien geen een keer opgestaan, of ik moest het gemist hebben. Hij gaf er daarnaast geen enkele blijk van dit spoedig te gaan doen. Ondanks dat ik wilde strekken, ontbrak de kracht om me uit deze penibele houding te bevrijden en om aan meneer te vragen of ik er misschien even uit mocht.
En dus koos ik voor ‘gemak’.
De zon was inmiddels achter de rivier gezakt en bij het invallen van de duisternis voeren we dieper de Amazone in. In mijn op hol slaande gedachten speelden zich gruwelijke scenario’s af. Reviews vertelden me dat deze maatschappij wel eens raadselachtige crashes maakte. Ik vertrouwde maar op de ervaring van onze kapitein, ook al had ik er geen idee van wie het was.
Stijve liezen, billen als beton en een zeurende onderrug begonnen op te spelen. Ik wilde mijn spieren knakken om weer wat meer speling te hebben. Volstrekt onmogelijk helaas.
De weeïge geur (een mix van ochtendzweet en in de douche gewassen shirtjes die door de hoge luchtvochtigheid niet opdrogen) die mijn neus binnensloop zodra ik mijn broeierige rug met een scheurend geluid lostrok van de stoelleuning, maakte het er niet beter op.
Ogen sluiten, de pijn voor lief nemen en mezelf in een zo doenbaar mogelijke positie zien te wurmen leek me de beste remedie.
De aandrang om naar de wc te willen bleef gelukkig achterwege. Mijn blaas en darmen hadden een welkome pauzestand aangenomen. Zo hoefde ik dat smerige stinkhok niet in en bovendien geen verplicht woordje te wisselen met mijn gezellige vriend links van me (sowieso ben ik geen uitblinker in naar de wc gaan terwijl anderen bij de deur staan te dringen).
Uiteindelijk ging de tocht op dezelfde manier verder en voeren we tegen half zes pruttelend de haven van Iquitos binnen.
Hoe ik me voelde?
Alsof ik ’s nachts volledig onder de drugs had doorgehaald op een knallend hardcorefeest en net uit de trein stapte. Volkomen afgeragd en een tikje mensenschuw door de tergende moeheid.
De gast naast me liep zonder ook maar enige groet weg en wist mijn gevoel van irritatie direct weer aan te wakkeren.
Toen ik mijn hoofd uit de deuropening stak was het eerste wat ik hoorde: “Amigo, taxi?”
Stereotyperender kon het niet. Ik moest er wel om lachen.
Koppijn van de moeheid, stijfheid van een hardhouten plank en ogen die niets liever wilden dan de boel sluiten…
Maar hey, ik was er verdomme eindelijk!
Strompelend koerste ik naar het oude centrum, het enige echt leuke stukje van Iquitos om als toerist te bivakkeren.
Zat ik dan, als een of andere halve zwerver in een tanktop met een verschrompelde fles water, een paar gekookte eitjes en een kapsel lijkend op een verlaten vogelnest. En met mijn rechterbeen gevouwen, zoekend naar de knak om mijn lies te ‘ontstijven’.
Twee politieagenten liepen voorbij en keken naar me met een blik die iets leek te zeggen als: je hebt wat verdachts over je. Ze lieten me goddank met rust.
Over rust gesproken: ik verlangde niets liever dan een bed.
Alleen, wat als ik je vertel dat ik in het gunstigste geval pas om één uur kon inchecken, en het net na half zes was? Hoe ging ik dit in vredesnaam redden met het belabberde energieniveau van nu? In deze staat van slapeloosheid moest ik ook nog eens goed uitkijken geen spullen ergens te laten slingeren.
Het vervolg zal ik je besparen. 😉
















